zondag 22 september 2013

Learning-on-the-job


Vakliteratuur

Hoop. Dat is een mooi woord dat zegt: morgen is er weer een dag. Wat vandaag niet lukt kan morgen waarheid worden.
Op de studiedag kwam het woord ook voor, zo’n beetje in het kader van de vraag of de deelnemer aan de workshop zich kon herkennen in het beeld van een leerling die aan het begin van een schooljaar met het stempel van een collega binnenkomt. Weet je, zo’n opmerking als: ‘Met Hans wordt het niks, die is nooit bij de les’; is er voor Hans nog een kans? Is er voor Hans nog hoop bij jou? Voelt ie dat ook?

Ik heb ook iets gemist. Nee, het onderwerp op zich was mij op het lijf geschreven; de snel toenemende kennis over ontstaan en werking van het brein kan niet zonder gevolgen blijven in dat vakgebied waar het er om gaat kennis in dat brein aan te brengen en te activeren. Persoonlijk vind ik dat een en ander in mijn vakgebied zwaar onderschat wordt.
De 7 principes van Krachtig Onderwijzen zetten de aandachtsvelden mooi op een rij. Toch? Ik denk dat iedereen wel iets mee heeft kunnen nemen naar eigen praktijk.
Toch heb ik iets gemist, rondom één van de principes. Het ging o.a. ook over de leeromgeving waarin dat leren plaats moet krijgen. Jammer dat dit nu niet verder uitgewerkt werd. Hoe belangrijk het ook is dat een leerling weet wat het doel van de les is, dat de leerling weet wat hij hoe moet doen; hoe belangrijk het ook is dat de leerkracht weet wat het doel van de les is, welke lesstof behandeld moet worden: de omgeving waarin dat allemaal gebeurt is niet de minst belangrijke. Als je van planten of dieren houdt is school vaak niet de meest uitnodigende omgeving. Als technische dingen je aanspreken? Helaas: op de meeste basisscholen kun jij leerling niet je hart ophalen. 3D-dimensionale zaken zijn ver te zoeken als de deur van de school dicht blijft.
Gek, dat de onderwijsinspectie daarvan vaak de schuld krijgt…

Stel je mijn kat eens voor in haar leeromgeving. Het beest is nog geen jaar oud, maar wat een ontwikkeling in die tijd. Van wankelen in het voor haar nieuwe huis nu sluipen door haar
jachtgebied (= elektronisch omheinde tuin). In staat om kikkers het leven zuur te maken (menig amfibie hebben wij al van een wisse dood gered), vijandelijke katten uit haar territorium te weren, vliegen te vangen met razendsnelle bewegingen; binnen loopt ze over de smalste randjes, ligt op toetsenborden, kijkt TV; ziekt in vensterbanken en op de stoffen bank…
Kortom: onze poes vertoont een hoge mate van fysieke activiteit en bewijst bovendien over een bovenmatig ontwikkelde hinderknobbel te beschikken. Waar wijst dat op?
Allereerst natuurlijk op de afwezigheid van inspectie. Geen voorgekauwde training, geen theorie, geen toetsing: gewoon ‘als je niet in één keer goed op de rand van de vijver springt donder je er in’-ervaringen opdoen.
Is alle hoop verloren?


Voor de kat niet. Die heeft in korte tijd een hele schare fans opgebouwd. Wat dat betreft een echte Nederlandse: hoe vervelend je ook doet, hoe onbeschaamd je gedrag ook, je hebt altijd de lachers op je hand. En zo wordt mijn opvoeding van het beest continue ondermijnd.

Of er voor mij nog hoop is? Vast. Ik kreeg dit weekend de vakliteratuur binnen. De bondsbladen, het blad Onderwijsinnovatie van de Open Universiteit (komende week kan ik weer meedoen met een online masterclass rond trends in technologie-gedreven-onderwijs), een magazine rondom hoogbegaafdheid… De week zal weer te kort zijn…

Voor de kat niet. Voor de kat is de wereld om haar heen spelen en leren tegelijk: learning-on-the-job. Voor hoeveel kinderen is dat deze week ook het gevoel?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen